Verruiming regeling Seed capital technostarters in verband met coronacrisis

De regeling Seed capital technostarters (SCT) is aangepast. Het betreft een beperkt aantal tijdelijke inhoudelijke wijzigingen die gelet op de uitbraak van COVID-19 worden doorgevoerd.

Als direct gevolg van COVID-19 staan de veelbelovende portefeuilledeelnemingen van Seed capital fondsen (de technostartersvennootschappen) momenteel onder liquiditeitsdruk. Deze liquiditeitsdruk hangt onder meer samen met het feit dat andere investeerders dan de Seed capital fondsen, zoals de business angels, in de tijden niet meer of aanzienlijk minder bereid blijken om te investeren in technostarters. Gelet hierop wensen Seed capital fondsen de technostarters waarin zij participeren, nader te ondersteunen op basis van de Seed capital subsidiemodule.

Een knelpunt waar startersfondsen echter tegenaan lopen indien ze de technostarters op basis van de Seed capital subsidiemodule wensen te ondersteunen, bijvoorbeeld door als cofinancier op te treden onder de Corona-OverbruggingsLening (COL), wordt gevormd door bepaalde maxima die zijn gesteld aan de investeringen die door starterfondsen ingevolge de Seed capital subsidiemodule gedaan mogen worden.

Zo bedraagt de totale verkrijgingprijs van de participaties die gedurende de fondsperiode in één technostartersvennootschap wordt geïnvesteerd, ten hoogste € 3,5 miljoen. Door de nu doorgevoerde wijziging wordt dit maximum verhoogd tot € 5 miljoen. Het startersfonds mag echter enkel van deze verruiming gebruik maken, indien het bij de aanvraag onder de Seed capital subsidiemodule aantoont dat de aangevraagde subsidie is bestemd om via participaties te investeren in een technostarter die een concrete liquiditeitsbehoefte heeft als gevolg van de uitbraak van COVID-19. Bij de beoordeling hiervan is onder meer van belang of het bedrijf in de kern gezond was vóór de COVID-19 crisis, of het overlevingskansen heeft, en of het kostenreducerende maatregelen treft of heeft getroffen. 

Een ander knelpunt heeft betrekking op het gebruik van de COL door technostarters. Het gebruik maken van deze COL blijkt problematisch wanneer het gaat om overbruggingskredieten onder de COL van meer dan € 250.000. In die gevallen kan de technostarter namelijk enkel aanspraak maken op dit krediet, indien er sprake is van 25% cofinanciering. 

Om technostarters te ondersteunen in het verkrijgen van een overbruggingskrediet in het kader van de COL, wensen de startersfondsen op basis van de Seed capital subsidiemodule de gelden te verwerven waarmee ze kunnen bijdragen in of zorgdragen voor de cofinanciering die onder de COL vereist is. Op dit punt bestaat er echter een knelpunt in de samenloop tussen de Seed capital subsidiemodule en de COL.

De Seed capital regeling verplicht Seed capital fondsen namelijk om een rente in rekening te brengen bij haar portefeuillebedrijven van minimaal 4% plus het EU referentierentepercentage (de referentierente). Voor overbruggingsleningen onder de COL vanaf € 250.000 tot € 500.000 geldt momenteel echter een 25% co-investeringsbijdrage en daarbij een rente van 3%. Deze rentevoorwaarden stroken in bepaalde gevallen dus niet met elkaar.

Daarom is het nu voor startersfondsen mogelijk gemaakt om, ter verzorging van de cofinanciering onder de COL, de op basis van de Seed capital subsidiemodule aan te vragen subsidiegelden door te investeren in technostarters tegen het rentepercentage dat onder de COL geldt (in plaats van de referentierente als bedoeld in de Seed capital subsidiemodule).

Om van deze mogelijkheid te kunnen profiteren, moet het startersfonds in dit verband bij de aanvraag onder de Seed capital regeling aantonen dat de aangevraagde subsidie bestemd is om via participaties te investeren in een technostarter die een concrete liquiditeitsbehoefte heeft als gevolg van de uitbraak van COVID-19, waarbij die investering door het startersfonds wordt vormgegeven door ten behoeve van de technostarter als cofinancier onder de COL-faciliteit op te treden. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of het bedrijf in de kern gezond was vóór de COVID-19 crisis, of het overlevingskansen heeft, en of het kostenreducerende maatregelen treft of heeft getroffen.