Onduidelijk wat circa € 20 miljard aan EU-subsidie voor innovatieprogramma's oplevert

NIEUWS - EU-subsidies voor innovatieprogramma's waarin meerdere landen, bedrijven en onderzoekers samenwerken, zijn te versnipperd, bureaucratisch van opzet en ondoorzichtig. Bovendien is niet duidelijk wat de programma's concreet opleveren, terwijl er naar schatting toch zo'n € 20 miljard EU-subsidie in wordt gestoken.

Dat meldt Het Financieele Dagblad op basis van onderzoek van adviesbureau Technopolis, dat op verzoek van de nieuwe EU-voorzitter Estland een inventarisatie heeft gemaakt van Brusselse 'partnerinstrumenten'. Dit zijn stimuleringsregelingen voor innovatie die de Europese Commissie samen met lidstaten of de industrie beheert en financiert. Het doel van de regelingen is om langdurige samenwerking tussen lidstaten, bedrijven en onderzoekers te stimuleren.


De Europese financiering voor de partnerinstrumenten is afkomstig uit Horizon 2020, het innovatie- en onderzoeksprogramma van de EU. De betreffende financiering gaat naar honderden samenwerkingsprogramma's die binnen de volgende tien soorten instrumenten vallen:

  • European Research Area Network (ERA-NET);
  • European Joint Programme Cofund Actions;
  • Artikel 185 initiatieven;
  • European Innovation Partnerschappen;
  • European Technology Platformen;
  • Joint Technology Initiatieven;
  • Contractuele Publiek Private Partnerschappen (CPPP);
  • Future and Emerging Technologies (FET)-flagships;
  • Knowledge and Innovation Communities (KIC);
  • Joint Programming Initiatieven.

Gefinancierde programma's doen bijvoorbeeld onderzoek naar gezonde voeding, Alzheimer, waterstofauto's, robots of de toekomst van het internet. De spelregels en het budget variëren echter per initiatief.

Meer versnippering en bureaucratie
Met de gezamenlijke onderzoeksprogramma's wil de Europese Commissie voorkomen dat onderzoekers en bedrijven in verschillende landen aan dezelfde thema's te werken. Door een gezamenlijke agenda op te stellen, hoopt de Commissie bovendien dat ideeën sneller worden vertaald in concrete toepassingen die problemen op kunnen lossen en de economie versterken.

In de praktijk komt er van deze ambitie nog maar weinig terecht, constateert Technopolis. De programma's leiden juist tot meer versnippering en bureaucratie. Publieke en private projecten die onderzoek doen naar dezelfde thema's, werken langs elkaar heen. Zo zijn er drie vergelijkbare innovatieprogramma's die onderzoek naar water en oceanen financieren. Bij elk programma zijn min of meer dezelfde organisaties betrokken. Wat de resultaten zijn, is onduidelijk.

Door de versnippering blijven echte oplossingen voor grote problemen uit, aldus Technopolis-directeur Patries Boekholt. "Neem de vervuiling van de Baltische Zee, een praktisch probleem dat je gecoördineerd aan moet pakken. Niet alleen met geld voor onderzoeksprojecten, maar ook met slimme wetgeving, aanbestedingen en standaarden. Dat gebeurt nu niet. Het geld wordt op de klassieke manier verdeeld door in veel verschillende landen kleine onderzoeksprojecten te financieren die aan allerlei subthema's werken. Daardoor worden de grote problemen niet systematisch aangepakt."

Aantal programma's terugbrengen?
EU-voorzitter Estland wil naar aanleiding van bovenstaande conclusies het aantal programma's terugbrengen. En ook OCW-staatssecretaris Sander Dekker vindt de Europese subsidies 'veelomvattend en complex', zo schreef hij onlangs aan de Tweede Kamer. Tegelijkertijd benadrukte hij wel dat samenwerkingsprojecten effectief kunnen zijn om geld bij elkaar te brengen voor het aanpakken van grote thema's en uitdagingen.

Boekholt beseft dat sommige politici het rapport vooral zullen gebruiken om te pleiten voor het afschaffen van de partnerprogramma's, al is dat volgens haar juist niet de oplossing. "Dan gaan we terug naar de oude situatie, waarin er een grote kloof is tussen privaat en publiek onderzoek en lidstaten onderling. Maar in plaats van tien verschillende initiatieven, is het beter om één of twee duidelijke regelingen te hebben die de lidstaten politiek en financieel steunen."

Om versnippering tegen te gaan is het volgens Boekholt bovendien vooral van belang dat de lidstaten niet langer hun eigen belang voorop stellen – zo veel mogelijk onderzoeksgeld voor hun 'eigen' onderzoekers – maar de maatschappelijke problemen die om een oplossing vragen. Vervolgens moeten de lidstaten kijken of ze bepaalde expertise in huis hebben en aan het onderzoeksproject bij kunnen dragen.