‘Beoordeling WBSO zou sneller moeten bij een kortere aanvraagperiode’

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) maakte onlangs bekend dat de beoordeling van WBSO-aanvragen van starters vanaf 1 maart dit jaar sneller gaat. In plaats van de reguliere beoordelingstermijn van drie tot soms wel vijf maanden, weten starters voortaan binnen een maand waar ze aan toe zijn.

Een goede maatregel, die eigenlijk ook zou moeten gelden voor ondernemers die kiezen voor een kortere aanvraagperiode.

De Wet Bevordering Speur- & Ontwikkelingswerk (WBSO) is niet voor niets de meest aangevraagde subsidie door ondernemers. Via de regeling kunnen ondernemers 32% van de loonkosten en investeringskosten (materiaal en testopstellingen) in mindering op de loonheffing brengen. Dit resulteert in een mooie financiële steun voor de ontwikkeling van een nieuw product, proces of programmatuur. Financiële steun die voor ondernemers niet zelden het verschil betekent tussen ‘wel’ of ‘niet’. Een innovatie brengt immers altijd risico’s met zich mee. Heeft een ontwikkeling het gewenste resultaat en kan deze terugverdiend worden? Heeft een ondernemer voldoende tijd, capaciteit en financiële draagkracht om het project van de grond te krijgen en draaiende te houden? Allemaal vragen waarop een bedrijf voorafgaand aan een project vaak geen antwoorden op heeft.

Wanneer een substantieel deel van de financiële onzekerheid kan worden weggenomen, heeft dit uiteraard invloed op de keuzes die een ondernemer maakt. Of hij verder gaat met een ontwikkeling of wellicht een andere innovatie oppakt.

Keuze voor kortere aanvraagperiode
Vanwege de onzekerheden die een innovatieve ontwikkeling met zich mee brengt, kiezen veel ondernemers in eerste instantie voor een korte periode waarover zij WBSO willen aanvragen. Zij gaan dan liever verplichtingen aan voor een periode van drie of vier maanden dan voor een (half) jaar. Na deze korte periode kan er immers weer een nieuwe aanvraag worden ingediend. De RVO biedt hiervoor de mogelijkheid om drie keer per jaar WBSO aan te vragen. Met deze flexibiliteit wordt al enorm meegedacht met de ondernemer. Maar omdat de beoordelingstermijn drie maanden is bij een aanvraag waarin voor een forfaitaire verrekening van kosten is gekozen, en zelfs acht weken langer wanneer de aanvraag is gebaseerd op werkelijke kosten, ontstaat er in de praktijk vaak een onwenselijke situatie. Deze wordt nog ongunstiger wanneer er door middel van een vragenbrief aanvullende informatie wordt opgevraagd, omdat de beoordelingstermijn dan wordt opgeschort.

Onwenselijke situatie
Wanneer een ondernemer WBSO heeft aangevraagd voor een periode van drie maanden, bijvoorbeeld van 1 januari tot 1 april, heeft hij voor het aflopen van deze periode en de aanvang van een nieuwe periode (vanaf 1 april) doorgaans nog geen beschikking. Hij weet dan dus nog niet of hij subsidie ontvangt voor zijn project. Dus op het moment dat hij moet beslissen of hij doorgaat met zijn project(en) en/of eventueel nieuwe ontwikkelingen oppakt, wat ook nog eens een maand voor aanvang van de nieuwe periode moet gebeuren, weet hij niet of hij financiële steun krijgt. We merken bij onze klanten dat als gevolg hiervan de ondernemer wordt geremd om (verder) te innoveren. Hij is geneigd eerst de beschikking van de initiële aanvraag af te wachten en daardoor zijn ontwikkelingsproject(en) een lage prioriteit te geven of zelfs tijdelijk stil te leggen, laat staan dat hij nog een nieuw project in gang zet.

Verkorten extra termijn nuttige eerste stap
Het zou mooi zijn als de RVO, in navolging van de ingezette verbetering voor starters, ook kijkt naar mogelijkheden om de beoordelingstermijn te verkorten in het geval de ondernemer heeft gekozen voor een kortere aanvraagperiode. Voor bedrijven die voor een jaar WBSO aanvragen, is een snelle beoordeling minder van belang. Het verkorten van de extra termijn van acht weken die de RVO naleeft wanneer er werkelijke kosten en uitgaven worden opgevoerd in de aanvraag, zou een nuttige eerste stap zijn. Vooral omdat het hier juist projecten met een hoog financieel risico betreft.

Vindsubsidies consultant Jeroen Herbrink